Anke's profileSprankeltje OnderwegPhotosBlogListsMore Tools Help

Blog


    12 November

    Miffa ad Mare...SMC en Marlies op Radio2

    Miffa? Wasda???

    Ooit al van Nijntje gehoord? Even ter informatie... Nijntje "Romeintje" ;-) heet Miffa!

    Op donderdag 9 november stelde Radio 2 in Memo het nieuwste boek van Nijntje in het Latijn voor : "Miffa ad Mare" ("Nijntje aan zee", voor de leken onder jullie). Daarvoor gingen ze op bezoek in het Sint-Michielscollege te Brasschaat (mijn goeie ouwe middelbare school), in de les van Christian Laes. Van wie, hoe toevallig, mijn zus Marlies net Latijn kreeg. Een beetje verrast om haar eigen stem op de radio te horen, maar o zo trots ;-). 't Is eens wat anders!
    06 August

    Toen het nog bruidsjurken sneeuwde


    Wat bij eb op het zand achterbleef na een vloed van vijf jaar Woordkunst en 3 jaar Literaire Creatie.

    (vervolg op 'Jonge sla en andere sprokkels')
     
     

    Niemand weet natuurlijk waar ik woon!’ riep de egel en hij sloeg zichzelf voor zijn voorhoofd. ‘Vandaar dat ik nooit post krijg!’

    Hij zat in een hoek van zijn kamer onder de struik en dacht na over zijn eenzaamheid. Niet dat hij iemand wilde zien, maar hij wilde wel graag eens iets van iemand horen.

    Plotseling wist hij wat hem te doen stond. Hij stak zijn stekels op en liep naar de berk, niet ver van de struik. Daar kraste hij in de bast, met een van zijn scherpste stekels:

    Brieven voor mij gaarne hier bezorgen.
    Egel

    Een klein pijltje wees de plaats aan waar hij zijn post verwachtte: in het mos onder de berk.

    Tevreden liep hij weer naar huis. Maar plotseling bedacht hij dat sommige briefschrijvers zichzelf graag uitnodigen zonder op een antwoord te wachten, of zelfs ongevraagd langskomen. En dat is mij te veel, dacht de egel. Ook al wist hij niet wat precies genoeg voor hem was.

    Hij liep terug naar de berk en voegde een voetnoot aan zijn mededeling toe:


    Alleen brieven, niet zelf komen
    .


    En even later, toen hij al bijna thuis was, bedacht hij dat brieven vaak uitnodigingen bevatten voor verjaardagen en andere feesten. Hij holde terug naar de berk en schreef een nieuwe voetnoot:

    Geen uitnodigingen.


    Toen wreef hij zich tevreden in zijn handen, liep terug naar zijn huis en besloot om de volgende ochtend vroeg te gaan kijken of er al post was.

    Die middag kwam de eekhoorn toevallig langs de berk en las de mededeling van de egel.

    Ach, dacht hij, wat zou ik de egel graag eens opzoeken. Waar zouden we het allemaal niet over kunnen hebben... En wat zou het gezellig zijn als hij morgen op mijn verjaardag kwam!

    Maar toen hij de voetnoten had gelezen wist hij dat daar niets van kon komen. Hij pakte een los stuk berkenbast, dacht lang na en schreef toen:


    Beste egel
    ,
    Hoi!
    Eekhoorn


    Meer wist hij niet te bedenken, en hij vond het eigenlijk een brief van niets. Maar omdat hij hem toch beter vond dan geen brief legde hij hem in het mos onder de berk.

    De volgende ochtend vond de egel hem daar. Er sprongen tranen in zijn ogen toen hij hem las. Beste egel, las hij telkens weer, beste egel, beste egel. Ik ben een beste egel, dacht hij.

    En om dat niet te vergeten prikte hij de brief aan de onderste stekel van zijn voorhoofd, zodat hij vlak voor zijn ogen hing en hij dus altijd kon lezen, als hij daar zijn twijfels over had, dat hij een beste egel was.

    Wat is het heerlijk om post te krijgen, dacht hij die avond in zijn bed in zijn kamer onder de struik. En hij sliep in zonder zich te storen aan het feestgedruis dat van de verjaardag van de eekhoorn afkomstig was.

     

    Toon Tellegen, uit ‘Misschien wisten zij alles. 313 verhalen over de eekhoorn en de andere dieren’ Zie ook ‘Brieven aan Doornroosje’!

     

    De kleine jongen en de oude man

    De kleine jongen zei: ‘Soms laat ik mijn lepel vallen.’
    De kleine oude man zei: ‘Dat overkomt mij ook.’
    De kleine jongen zei: ‘Soms plas ik in mijn broek.’
    De oude man zei lachend: ‘Dat overkomt mij ook.’
    De kleine jongen ze: ‘Ik moet vaak huilen.’
    De oude man knikte: ‘Ik ook. Ik ook.’
    ‘Maar het ergste is,’ zei de kleine jongen,
    ‘de groten kijken niet naar me om.’
    Toen voelde hij de warmte van een oude rimpelhand:
    ‘Ik weet wat je bedoelt,’ zei de kleine oude man.

    Shel Silverstein, uit Licht op zolder



    Op de vlucht voor een landkaartje

    Wij fietsen altijd samen.
    Jij keek wel uit
    voor twee; voor mij en voor jou.
    “Want jij moet twee fietsen sturen,”
    lachte je, “Want jij moet twee fietsen sturen,”
    lachte je, “met die fiets op je neus!”

    Toen opende een portier
    de poort naar de dood voor jou.
    Je voorwiel draaide nog rondjes
    terwijl jij al de bocht naar het einde
    had genomen, je bloed nog
    een rood landkaartje tekende
    tussen de straatstenen

    Op dat landkaartje in mij
    fiets ik stom alle paadjes af,
    maar kan je niet, nooit vinden.

    Nu fietsen wij altijd samen
    jij en ik, en kijk ìk wel uit voor twee,
    want het is moeilijk sturen
    met jou op mijn schouders.


    Daniël Billiet



    Een geschenk

    Ze trokken God aan zijn mouw:
    “Dat geschenk van je,
    de liefde,
    wat was daar de bedoeling van?”

    Het regende
    en God verzonk in gepeins
    (maar eerst rukte hij zich  nog los,
    hij hield niet van hun manieren)
    en al peinzend
    waadde hij door leven en door dood,
    door waanzin en nalatigheid,
    door waarheid en door angst,
    zag hoe zij frunnikten aan elkaars jas
    en daalde peinzend af
    langs de smalle trap van hun rede -

    “Ik heb het geweten,” mompelde hij. Ik héb het geweten.”

     T. Tellegen, uit 'Kruis en munt'



    En vaarwel!


    Bij de miljoenen verzen op deze wereld
    voegde ik maar een paar strofen.
    Ze waren wellicht niet wijzer dan krekelliederen.
    Dat weet ik, vergeef me.
    Ik eindig al.

    Het waren niet de eerste stappen
    in het maanstof.
    Als ze toch ooit schitterden
    was het niet door hun licht.
    Ik hield van deze taal.

    En zij, die zwijgende lippen
    tot beven kon dwingen,
    zal makkelijk geliefden tot kussen aansporen
    wanneer ze slenteren door het avondrode land,
    als de zon langzamer ondergaat
    dan in de tropen.

    Poëzie was met ons vanaf alle begin.
    Zoals beminnen,
    zoals honger, zoals pest, zoals oorlog.
    Mijn verzen waren soms
    verschrikkelijk dwaas.
    Maar daarvoor verontschuldig ik me niet.
    Ik geloof dat het zoeken naar mooie woorden
    beter is
    dan doden en moorden.

    Jaroslav Seifert



    'Kom terug.'
    Als ik die woorden eens zó zacht kon zeggen
    dat niemand ze kon horen, dat niemand zelfs kon denken
    dat ik ze dacht...
    en als iemand dan terug zou zeggen
    of desnoods alleen maar terug zou denken
    op een ochtend:
    'Ja.'

    Toon Tellegen, uit 'Over liefde en niets anders'

     


    het landschap komt als een kelner
    op ons toe
    met weiden op zijn handen.

    zo eenvoudig is alles.
    of zie het sas: de vaart neemt
    een boot op zijn schouder
    en draagt hem de trappen op.

    Herman de Coninck

     


    Of er na Auschwitz nog poëzie kon zijn,
    vroeg o.a. Ingeborg Bachmann zich destijds af.
    Zelf denk ik kon er na Auschwitz nog wel proza zijn,
    politiek, cafépraat, discussie, sport, lente?

    Ja, zoveel mogelijk. Hoe dat dan moest?
    Net zoals voor Auschwitz. Want niet poëzie
    heeft schuld, maar te weinig poëzie.
    In een vroeg gedicht vraagt Czeslaw Milosz zich af:

    'Wat betekent poëzie, tenzij ze naties of volkeren
    redt?' Ook voor hem moet poëzie anders, maar
    in plaats van ongewoner, zoals bij Bachmann, gewoner.
    In moedertaal moet ze moedervragen stellen.

    (Awel wereld, kom eens hier, wat is dat allemaal
    met u? Snut eens, hier is een zakdoek.)
    Zijn regels zijn log van ernst, maar daardoor
    blijven ze ook op de bladzijde liggen.

    Wie heeft ooit het woord geluk uitgevonden?
    Geen dichter, lijkt me, maar de hoofdredacteur van het toen
    in spijkerschrift verschijnende blad Flair.
    Dichters gingen ernaar op zoek, probeerden woorden en vrouwen

    en zichzelfven in de verkeerde volgorde, en kwamen terug
    met het woord verdriet. Dat was al een betere uitvinding.
    Neem ergens een oorlog. Je kunt medische hulp leveren,
    maar wie levert het verdriet?

    Dat is iets anders dan haat, pijn, woede. Het is ook
    iets anders dan vergeten. Ik denk dat het een overtreffende
    trap van onthouden is. Het moet gemaakt worden.
    Maar welke vakman kan dat nog?

    Jean Portante - Herman de Coninck

    04 August

    Sine Nomine * Vivae Latinitatis

     
    Best opnieuw openen in 'Weblog' voor volledig scherm!
     

    "λαθε βιωσαs"


    Lucretius; De Rerum Natura; V, 1117-1130

     
     
    Vulpes et corvus Le Corbeau et le Renard
    Qui se laudari gaudet verbis subdolis,
    sera dat poenas turpes paenitentia.

    Cum de fenestra corvus raptum caseum
    comesse vellet, celsa residens arbore,
    vulpes hunc vidit, deinde sic coepit loqui:
    "O qui tuarum, corve, pennarum est nitor!
    Quantum decoris corpore et vultu geris!
    Si vocem haberes, nulla prior ales foret." 
    At ille stultus, dum vult vocem ostendere,
    emisit ore caseum, quem celeriter
    dolosa vulpes avidis rapuit dentibus.
    Tum demum ingemuit corvi deceptus stupor.

    [Hac re probatur quantum ingenium valet;
    virtute semper praevalet sapientia.]

    Phaedrus

    Maître Corbeau sur un arbre perché,
    tenait en son bec un fromage.
    Maître Renard par l'odeur alléché,
    Lui tint à peu près ce langage:
    "Hé, bonjour Monsieur du Corbeau.
    Que vous êtes joli! que vous me semblez beau!
    Sans mentir si, votre ramage
    Se rapporte à votre plumage
    Vous êtes le Phénix des hôtes de ces bois."
    A ces mots, le Corbeau ne se sent plus de joie:
    Et pour montrer sa belle voix,
    Il ouvre un large bec, laisse tomber sa proie.
    Le Renard s'en saisit, et dit:" Mon bon Monsieur,
    Apprenez que tout flatteur
    Vit au dépends de celui qui l'écoute.
    Cette leçon vaut bien un fromage sans doute."
    Le Corbeau honteux et confus
    Jura, mais un peu tard, qu'on ne l'y prendrait plus.

    Jean de La Fontaine


    Odi et amo. quare id faciam, fortasse requiris?
    nescio, sed fieri sentio et excrucior.

    Catullus, Carmen 85
     

    Horatius, Epode 2

    Beatus ille qui procul negotiis,
    Ut prisca gens mortalium,
    Paterna rura bobus exercet suis
    Solutus omni faenore
    Neque excitatur classico miles truci
    Neque horret iratum mare
    Forumque vitat et superba civium
    Potentiorum limina.
    Ergo aut adulta vitium propagine
    Altas maritat populos
    Aut in reducta valle mugientium
    Prospectat errantis greges
    Inutilisque falce ramos amputans
    Feliciores inserit
    Aut pressa puris mella condit amphoris
    Aut tondet infirmas ovis.
    Vel cum decorum mitibus pomis caput
    Autumnus agris extulit,
    Ut gaudet insitiva decerpens pira
    Certantem et uvam purpurae,
    Qua muneretur te, Priape, et te, pater
    Silvane, tutor finium.
    Libet iacere modo sub antiqua ilice,
    Modo in tenaci gramine:
    Labuntur altis interim ripis aquae,
    Queruntur in silvis aves
    Fontesque lymphis obstrepunt manantibus,
    Somnos quod invitet levis.
    At cum tonantis annus hibernus Iovis
    Imbris nivisque conparat,
    Aut trudit acris hinc et hinc multa cane
    Apros in obstantis plagas
    Aut amite levi rara tendit retia
    Turdis edacibus dolos
    Pavidumque leporem et advenam laqueo gruem
    Iucunda captat praemia.
    Quis non malarum quas amor curas habet
    Haec inter obliviscitur?
    Quodsi pudica mulier in partem iuvet
    Domum atque dulcis liberos,
    Sabina qualis aut perusta solibus
    Pernicis uxor Apuli,
    Sacrum vetustis exstruat lignis focum
    Lassi sub adventum viri
    Claudensque textis cratibus laetum pecus
    Distenta siccet ubera
    Et horna dulci vina promens dolio
    Dapes inemptas adparet:
    Non me Lucrina iuverint conchylia
    Magisve rhombus aut scari,
    Siquos Eois intonata fluctibus
    Hiems ad hoc vertat mare,
    Non Afra avis descendat in ventrem meum,
    Non attagen Ionicus
    Iucundior quam lecta de pinguissimis
    Oliva ramis arborum
    Aut herba lapathi prata amantis et gravi
    Malvae salubres corpori
    Vel agna festis caesa Terminalibus
    Vel haedus ereptus lupo.
    Has inter epulas ut iuvat pastas ovis
    Videre properantis domum,
    Videre fessos vomerem inversum boves
    Collo trahentis languido
    Positosque vernas, ditis examen domus,
    Circum renidentis Lares.
    Haec ubi locutus faenerator Alfius,
    Iam iam futurus rusticus,
    Omnem redegit idibus pecuniam,
    Quaerit kalendis ponere.

    (Piet Schrijvers)

    Gelukkig is de man die ver van het zakenleven,
    zoals de mensen van weleer,
    de akkers zijner vaderen met eigen ossen afbeult,
    van elke schuldenlast bevrijd,
    en niet op veldtocht ruw ontwaakt door een krijgstrompet
    of huivert voor een boze zee,
    het forum weet te mijden en de verheven deuren
    van al te hoge herenhuizen.
    Hij leidt de opgeschoten ranken van een wijnstok
    tegen hoge populieren,
    bekijkt vanuit de verte in een dal het zwerven
    van zijn loeiend rundertal
    en snoeit de nutteloze takken met zijn kapmes
    terwijl hij ent wat vrucht zal dragen,
    of perst de honing in gereinigde amforen,
    scheert zijn kudde zwakke schapen.
    Maar als de Herfst zijn hoofd, gesierd met rijke appels,
    uit de boomgaard hoog verheft,
    dan plukt hij blij de peren die veredeld zijn
    en druiven met hun purper prijkend,
    om U, Priapus, U, Silvanus, te vereren,
    beschermgoden van het land.
    Hij ligt verzaligd aan de voet van een oude eik
    of anders in het dichte gras,
    terwijl een beekje voortglijdt langs de steile oevers;
    vogels zingen in het bos
    en bronnen fluisteren in zijn oren met hun water
    dat een slaapje welkom heet.
    Maar als het winters jaargetij van de Dondergod
    sneeuw en regen met zich voert,
    dan drijft hij met een meute honden wilde zwijnen
    vast in de versperringen,
    spant wijde netten met een gladde vogelknip
    die hongerige lijsters vangt,
    en strikt een bangig haasje of een vreemde vogel,
    een niet te smaden jachttrofee.
    Wie zou de zorgen die de liefde met zich draagt,
    ondertussen niet vergeten?
    Maar als een ingetogen vrouw de zorgen deelt
    voor het huis en lieve huisgezin
    ? als een Sabijnse, zongebruinde echtgenote
    van een jager uit Apulië
    met droge blokken hout een zalig haardvuur aanlegt,
    wachtend op haar vermoeide man,
    of achter de omheining het blije vee bijeensluit,
    de bolle uiers leegmaakt
    en uit een heerlijk vat de jonge wijn gaat tappen
    bij een maal uit eigen tuin,
    dan kunnen oesters uit Campanië mij niet meer bekoren,
    geen tarbot of ander zeebanket
    dat door een donderende storm uit het Oosten
    naar onze zee gegolfd wordt,
    dan daalt geen Afrikaans gevogelte mijn buik in,
    geen hazelhoen uit Ionië,
    met meer smaak dan een handjevol olijven
    van vette takken afgeplukt,
    of zuring, welig in het weiland groeiend, malve,
    zo gezond voor een ziek lijf,
    of lamsvlees versgeslacht op het feest van Terminus,
    een bokje uit een wolf gerukt. '
    't Is heerlijk bij zo'n maal te zien hoe volgegeten
    schapen zich haasten naar hun stal,
    te zien hoe moeie ossen het omgedraaide ijzer
    met slappe nekken huiswaarts slepen,
    een schare slaven, beeld van rijkdom, zich posteert
    rond het welvarend huisgezin.
    Na deze woorden heeft de bankier Alfius,
    die zo nodig boer moest worden,
    op de vervaldag al zijn geld geïnd om het
    per eerste van de maand weer uit te lenen.

    29 July

    En toen kwam er een (Romeins) varkentje

     
    "Dit is het verhaal van Allen, Iedereen, Iemand en Niemand.
    Er was eens een klusje te doen en allen waren ervan overtuigd dat Iemand het zou doen.
    Iedereen kon het doen maar Niemand wilde het doen.
    Iemand werd kwaad omdat het Iedereen zijn taak was.
    Allen dachten dat Iemand het kon doen, maar Iedereen realiseerde zich dat Niemand het wilde doen.
    Tenslotte beschuldigde Iedereen Iemand terwijl Niemand deed wat ze met zijn Allen konden doen."

    Pyramus en Thisbe

    Dit is het bloedig moordverhaal
    van Pyramus en Thisbe
    De een, een schone jongeling,
    wiens ouwe heer in vis dee
    De andere, miss Babylon,
    de dochter van de buurman,
    Bij wie hij op beperkte schaal
    des avonds door de muur kwam.

    Die muur had namelijk een spleet,
    Het ding zat er al jaren,
    maar in die tijd had Babylon
    gebrek aan metselaren.
    De Aziatische idee
    zo heette het, ging voor en
    men bouwde tegen wil en dank
    aan de mislukte toren.

    De huisbaas schreef in spijkerschrift
    (hetgeen een hele toer was)
    een lang request waarin stond dat
    bij hem de muur ajour was.
    Maar toen het aankwam op de plaats
    waar zo'n request moest wezen,
    toen brak de spraakverwarring uit
    en niemand kon het lezen.

    Door deze spleet nu wurmde Thisbe
    's avonds hare lippen
    en Pyramus placht dan daaraan
    een poze lang te nippen.
    Dat was misschien wel aardig,
    doch hoezeer zij ook genoten,
    toch waren beiden er op uit
    hun afzet te vergroten.

    Dus Thisbe op een goede dag
    sprak in het Babylonisch,
    die muur is toch maar niks gedaan,
    hij maakt mijn hele koon vies.
    Je hebt gelijk sprak Pyramus,
    die muur dat is een vieze
    vanmiddag bij het eten,
    zat de kalk nog in m’n kiezen.

    Ik heb een plan, we gaan eruit,
    we doen het clandestien, zus:
    achter het Wilhelminapark,
    daar ligt het graf van Ninus.
    Dat is een plekje waar geeneen
    ons kan bespioneren
    ik wil nu wel eens weten
    wat wij zonder muur presteren.

    En zo begaven zich
    met uitgedachte smoezen
    apart naar wijlen Ninus toe
    om daar te rendez-vousen.
    Doch Thisbe die het eerste kwam
    werd bleek gelijk een lelie
    toen zij een leeuw trof, juist ontsnapt
    uit Barrenum en Bailey.

    Die leeuw zat daar op Ninus' graf
    en at wat eens een ree was
    en keek precies of in zijn maag
    nog plenty plaats voor twee was.
    Het arme kind wist weliswaar
    het ondier te ontkomen,
    maar het kostte haar d'r mantel die
    ze pas had laten stomen.

    Toen nu de leeuw verdwenen was
    kwam Pyramus haar vrijer
    en las op het verscheurde flard
    de naam van Brenninkmeijer.
    Hij wist dat dit de firma was,
    waar Thisbe vaste klant was
    en snapte dus direct wat of
    er met haar aan de hand was.

    Zijn haren rezen overeind,
    z'n wangen werden sneeuwwit,
    hij dacht het heeft er alles van
    dat Thisbe in een leeuw zit.
    Ach waren we nu nog maar thuis,
    zelfs met de muur er tussen
    want iemand binnen in een leeuw
    die laat zich lastig kussen.

    Vaarwel mijn ouders, nimmermeer
    keert Pyramus uw zoon thuis
    ik sla nu mijn penaten op
    in huize Aidoneus.
    Hij trok daarop een slagersmes,
    hij stak het in zijn baadje
    en zonk toen rochelend ineen
    op Thisbe's C&A-tje.

    Toen Thisbe hem daar liggen vond,
    gij raadt het reeds, eilacie,
    -een mens is van nature toch
    geneigd tot imitatie!-

    trok zij het mes uit Pyramus
    en stak het in haar sinus
    Toen lagen twee kadavers daar,
    nog afgezien van Ninus.

    Moraal

    Dit drama leert ons iets omtrent
    de ouderlijke plichten;
    Men dient de gaten in zijn huis
    terstond te laten dichten.
    Wie dit niet doet die brengt zichzelf
    in vele ongemakken
    Dus hebt gij jonge dochters, laat
    er dan behang op plakken!

    K. Stip, naar Speenhoff



    De Wolf en de Ooievaar

    De wolf is een slokop, heeft aan tafel geen manieren.
    Zo zat een wolf eens aan de dis en at van alle dieren
    Het meest en daarbij ook het langst. Hij schrokte er zoveel,
    Dat 't scherpe beentje van een haas bleef steken in zijn keel.
    Hij slikte, werd benauwd, hij kreunde en hij slikte
    Nog eens. Hij kreeg geen adem. 't Was alsof hij stikte.
    Gelukkig kwam de ooievaar voorbij en met zijn poot
    Gaf hij een teken: help mij, vlug of anders ga ik dood!
    De ooievaar stak toen haar bek diep in de open muil,
    Ze trok zich even terug en zei: 'Foei, foei, wat is hij vuil!'
    Maar als een knap chirurg had ze op korte tijd
    Met 't puntje van haar snavel d'arme wolf bevrijd.
    Het beetje was eruit! 'Wat gorgelen en je keel is schoon,'
    Zei de tevreden ooievaar. 'Waar blijft mijn ereloon?'
    'Je ereloon?' kreet toen de wolf. 'Spreek jij maar van geluk
    Dat ik mijn kaken openhield, toen jij dat lekker stuk
    Van kop en hals stak in mijun muil. Had ik toen doorgebeten,
    Dan had ik feest gehad en jij van loon niets meer geweten.
    Wees jij maar dankbaar en pas op, kom nooit meer in mijn klauwen!'

    Ondank is 's werelds loon en macht betaalt alleen met snauwen.


    Jean de la Fontaine, door J. van den Berg

    25 June

    zin of onzin; een voorproefje

     

    Omdat ik al zo lang zinnen verzamel... Citaten!

    - "Courtesy while you're thinking what to say. It saves time."
       Lewis Carroll



    - "The sun at noon is the sun declining. The person born is the person dying."
       Oosters spreekwoord



    - "Medicine is about people."



    - "Il n'y a pas d'amour perdu."




    - "Ich verfluche allen negativen Purismus, dass man ein Wort nicht brauchen soll, in welchem eine andere Sprache viel mehr oder zarteres gefasst hat."
    ~ "Ik vervloek alle purisme dat ons verbiedt een woord te gebruiken, waarin een andere taal veel meer of iets innigers heeft gelegd."
       J.W. von Goethe

    - "Thu nur das Rechte in deinen Sachen, das Andre wird sich von selver machen. " 
    ~ "Doe slechts wat behoort; de rest komt vanzelf in orde."
       J.W. von Goethe


    - "Zo kan men leven in de schaduw van zijn bomen, in oorlog met de dwazen, in vrede met zichzelf."
       F-M Arouet de Voltaire

    - "Wat is dat, optimisme?" "Zo heet de waanzin, vol te houden dat alles goed gaat, als alles verkeerd gaat."
       Candide de Voltaire 


    - "And if he dies, take him and cut him into little stars and he will make the face of heaven so fine that everyone will fall in love with night."
       William Shakespeare


    - "J'ai réinventé le passé pour voir la beauté de l'avenir."
       Louis Aragon




    - "Ach, dass wir doch dem reinen stillen Wink, des Herzens nachzugehn so sehr verlernen. "
    ~ "Och, dat wij zozeer verleren om de reine, stille wenk van het hart te volgen."
       J.W. von Goethe


    - "De roem ligt in het pogen zijn doel te bereiken, niet in het bereiken ervan."
       Mahatma Gandhi 


    - "That one may smile, and smile, and be a villain."
       William Shakespeare


    - "O crassum ingenium! Suspicor fuisse Batavum."
       D. Erasmus



    - "E com vivo? Vivo."
       M. Van der Vyver


    - "Wie smaak vindt in het lezen van goede boeken, is bij machte om de eenzaamheid te dragen, waar dan ook en met groot gemak."
       Mahatma Gandhi

    - "O, het leven van een mens! Als het gelukkig is, stoot een schaduw het omver."
       Aeschylus
     

    - "Op een dag vielen alle dieren omhoog."
       Toon Tellegen


    - "De eenzaamheid is een goede plaats om te bezoeken, maar een slechte plaats om te verblijven."
       J. Billings


    - "Stijl is een zeer eenvoudige manier om ingewikkelde dingen te zeggen."
       J. Cocteau


    - "Ware bevalligheid wint naarmate zij tot de eenvoud nadert."     ~     "Eenvoud is de ziel der bevalligheid."
       H.W. Beecher                                                                                C. Dickens


    - "Achter glas regent het altijd harder."
       Papaja


    - "Styská se mi po tobe"     "~Ik heb heimwee naar jou"

     
    - "Je moet je huis verlaten om te weten wie je bent."
       K. Abdolah

     
    - "Alleen de hoop bleef gekooid."


    - "Het is met genoegens als met eetwaren: van de eenvoudigste krijgt men het minst gauw genoeg."
       Sanial-Dubay


    - "Geef me kracht om alles te accepteren wat ik niet kan veranderen, en net zoveel kracht om me honderd procent in te zetten voor dat waar ik het wél kan. En geef me daarbij de wijsheid om te onderscheiden wat wel en wat niet in mijn vermogen ligt."
       Epictetus (origineel volgt)
     

    - "Liefde is elkaar zien als goden, maar tegelijkertijd aanvaarden als mensen."

     
    - "The first cut is the deepest"
       R. Stewart

     
    - "Two things are infinite: the universe and the human stupidity; and I'm not sure about the universe."
      
    A. Einstein

     
    - "Terugkrabbelen is altijd slecht."
       Papaja

     
    - "D'abord, on mange. Les fruits après, c'est ce qu'on appelle l 'Amour."
      
    Karim

     
    - "In ieder kind schuilt een mens, in ieder mens een kind."

     
    - "Een gedicht in vertaling lezen is hetzelfde als een vrouw kussen door een sluier."
       Bialik

     
    - "Zwijgen is in sommige gevallen de meest lafhartige vorm van liegen."
       W. Triesthof 

     
    - "De moeilijkheid met de wereld is, dat de dommen zelfverzekerd zijn en de verstandigen van twijfel vervuld."
       B. Russell

     
    - "Men valt niet omdat men zwak is, maar omdat men denkt dat men sterk is."

     
    - "Zorgen moet je doen, niet maken."

     
    - "Zwijgzame mensen zijn niet altijd denkers. Je hebt laden die op slot zijn en waar niets in zit."
      
    Brohan

     
    - "Wie geen plezier vindt in eenzaamheid zal niet van de vrijheid houden."
       Schopenhauer

     
    - "Woorden mogen alleen dienen om de stilte te verbeteren."      K. Jonckheere 
        ~  "When you open your mouth, make sure the sound you make is better than silence."
      

    - "Vele mensen zijn geliefd door de charme van hun gebreken."
       J. Shepherd

     
    - "Wie in hoop leeft, danst zonder muziek."
       G. Herbert

     
    - "De mens heeft steeds iemand nodig met wie hij kan zwijgen."
       K. Van de Woestijne

     
    - "Schoonheid is ontzetting."

     
    - "Ik hou van rechtvaardigheid en daarom schrijf ik fictie. Het echte leven is zelden rechtvaardig."
       O. Goldsmith

     
    - "Er zijn drie dingen die echt zijn: God, menselijke dwaasheid en humor. Omdat de eerste twee ons begrip te boven gaan, moeten we ons met het derde behelpen."
       uit het Indiase epos Ramayana

     
    - "Het aardige aan schrijven is dat je het nooit leert."
       S. Carmiggelt

     
    - "Sorry dat dit zo'n lange brief is, maar ik had geen tijd voor een korte."     ~     "Brevity is the soul of wit."
                                                                                                                          William Shakespeare

     
    - "De ideale massa weet niet dat ze een massa is."


    - "Als je altijd afhankelijk bent van anderen, leer je te huilen met een glimlach."
       uit Mar adentro

     

    19 June

    Jonge sla en andere sprokkels


    Samenraapsel van ditjes en datjes, poëzie, zinnen, stukjes tekst van mezelf en anderen, dingen die me raken, die verrassen,... Geniet, geniet! 


    Lege plek

    Ga nu maar liggen liefste in de tuin,
    de lege plekken in het hoge gras, ik heb
    altijd gewild dat ik dat was, een lege
    plek voor iemand, om te blijven.

    Rutger Kopland – Uit ‘Een lege plek om te blijven’



    wat heb je vandaag gekocht, vroeg ik.
    een halsuitsnijding, zei je.
    trek ze eens aan, vroeg ik,
    en je trok alles uit : dat is ze
    helemaal, zei je, maar met de jurk
    erbij komt ze tot hier -
    en toen wees je midden op mijn handen.

    Herman de Coninck, uit De lenige liefde




    Vijf manieren om een mens te doden

    Er zijn vele omslachtige manieren om een mens te doden:
    je kunt hem een houten plank laten dragen
    naar de top van een heuvel en hem erop vastnagelen. Om dit
    behoorlijk uit te voeren heb je een massa volk nodig
    met sandalen, een kraaiende haan, een mantel
    om te verdelen, een spons, azijn en iemand
    om de nagels erin te hameren.

    Of neem een stalen staaf,
    op de gewone manier gedreven en gevormd,
    en tracht zijn metalen uitrusting te doorboren.
    Maar hiertoe heb je witte paarden nodig,
    Engelse bomen, mannen met pijl en boog,
    tenminste twee vlaggen, een prins en een
    kasteel om je banket in te houden.

    Zonder adel erbij kun je, als de wind
    gunstig staat, gas op hem loslaten. Maar dan heb je
    een mijl modder nodig, doorsneden met dijken,
    om nog maar te zwijgen van zwarte laarzen, bomkraters,
    nog meer modder, een rattenplaag, een dozijn liederen
    en enkele ronde, stalen helmen.

    In de eeuw van de vliegtuigen kun je mijlen boven
    je slachtoffer vliegen en over hem beschikken door
    het overhalen van een hefboompje. Al wat je dan
    nodig hebt is een oceaan om je te scheiden, twee
    regeringssystemen, de geleerden der natie,
    vele fabrieken, een psychopaat en
    land dat niemand nodig heeft gedurende vele jaren.

    Dit zijn, zoals gezegd, omslachtige manieren
    om een mens te doden. Eenvoudiger, direct en veel keuriger
    is vaststellen dat hij ergens in het midden van de
    twintigste eeuw leeft, en hem daar laten.

    Herman de Coninck, naar Edwin Brock




    Tenebrae

    Todo el ocaso es amarillo limón.
    En el cenit cerrado, bajo las nubes mudas,
    Bandadas negras de pájaros melancólicos
    Rayan, constantes, el falso cielo de lluvia.

    Por el jardín, sombrío de los plúmbeos nimbos,
    Las rosas tienen una morada veladura,
    Y el crepúsculo vago, que cambia las verdades,
    Pone en todo, al rozarlo, no sé que gasas húmedas.
    Lívido, deslumbrado del amarillo, torvo
    Del plomo, en mis oídos, como un moscardón zumba
    Una ronda monótona, que yo no sé de dónde
    Viene, ... que deja lágrimas, ...que dice: ‘Nunca,...Nunca...’




    Het Verraderlijke Hart   -   Nieuw slot

    Het was pikdonker in de kamer, omdat de lantaarn nu uitgegaan was. Grijnzend duwde ik de matras van het lichaam af. Vervolgens tastte ik in het rond. Ik moest de lantaarn vinden! Ik rilde toen ik een van de voeten van de man aanraakte. Ja, echt waar! Ik rilde. Eigenlijk verafschuwde ik het lichaam, maar niet zo erg als ik het Oog verafschuwd had. Ruw trok ik het antieke bed opzij en schoof het onder het raam. Ook daar zocht ik naar die vervloekte lantaarn. Verdomme! Hij was nergens te vinden. Met klamme handen opende ik het venster. Ik moest licht hebben. Ik wilde voldoening krijgen van mijn daad, door nog één keer een straaltje licht op het Boze Oog te richten. (U beweert nog steeds dat ik krankzinnig ben?!) Mijn hart klopte onrustig, maar ik dwong mezelf de luiken open te duwen. Ik dacht niet meer aan de buren. Ik dacht echt niet meer aan hen. Konden ze zich afvragen wat ik in zijn kamer deed? Misschien sliepen ze zelfs...

    Terwijl ik langzaam de luiken opende, keek ik in de richting van het lichaam van de oude man. Misschien wist ik dat er een volle maan aan de wolkeloze hemel stond. Misschien ook niet. In elk geval, ik liet het maanlicht binnen.

    Een lichtstraal op de vensterbank. Over het bed, over de grond, over de matras, over het lichaam...  Ze werd breder. Het koude, bleke maanlicht bereikte de voeten van de man. De straal ging over zijn magere benen, die in een blauwwit gestreepte pyjamabroek staken. Over zijn buik, naar zijn gezicht. Ik staarde ernaar met een vergenoegde uitdrukking op mijn gezicht. Toen bereikt het maanlicht zijn Oog. Het dode Boze Gierenoog was open. Het was wijdopen en het blauwe waas was helderder dan het ooit geweest was. Ik gilde... Ik krijste... Ik huilde... Ik hoorde de doodskloppertjes opnieuw. Of was dat het helse geroffel van mijn hart? Verstard van angst zakte ik neer op het bed.

    U denkt dat ik gek ben?

    Anna Querci, naar en volgens Edgar Allan Poe




    Vier manieren om op iemand te wachten

    1.      Zittend. Denkend aan winter. Je handen
    strijken kreuken in het tafellaken glad
    rond een gerecht dat moeilijk en te veel
    voor twee en niet als op het voorbeeld is,
    maar geurend, het ruikt de ramen uit, het
    doet zijn best niet in te zakken, zoals
    een ingehouden buik niet bol te zijn-
    ook panikeren is vergelijken.

    2.    Lopend. Bijvoorbeeld naar de ramen
    en luisterend naar de ramen,
    omdat geluid zich buigt naar wat je
    horen wilt, maar doffer. Er danst
    een stoet voorbij, verklede mensen die
    iets onverstaanbaars juichen, van elkaar
    goed weten hoe ze leven en te kijken
    dansen dat je bewonderen moet.

    3.      Aarzelend. Bij een ingang, uitgang waar je zei
    dat, maar er zijn er drie, je weet niet meer
    of die of deze. Van blijven staan komt
    niemand kijken, maar met hallucineren
    wordt haast bereikt wat net verdween.
    Zeker nog niet gezegd wie blijft en wie
    verdwijnt en wie dan wie wanneer
    en van hoe ver weer ziet.

    4.      Ijsberend. Een voor een de franjes van
    de kamermat rechtstrijken en steeds
    opnieuw die haarlok heel geïrriteerd
    uit je gezicht wegblazen. Alsof het
    lot weer met je voeten speelt
    je wintertenen plaagt, het jeuken nooit
    meer ophoudt en de vrieskou nooit meer
    warm wordt de zon een ijsblokje in je hart.

    Naar Joke Van Leeuwen, volgens Yella A., door Anna Querci ;-)




    "... thought Alice, and she went on. "Would you tell me, please, which way I ought to go from here?"
    "That depends a good deal on where you want to get to," said the Cat.
    "I don't much care where –" said Alice.
    "Then it doesn't matter which way you go," said the Cat.
    "– so long as I get somewhere," Alice added as an explanation.
    "Oh, you're sure to do that," said the Cat, "if you only walk long enough."

    Lewis Carroll,   Alice’s Adventures  in Wonderland 




    Shall I compare thee to a summer's day?

    Shall I compare thee to a summer's day?
    Thou art more lovely and more temperate:
    Rough winds do shake the darling buds of May,
    And summer's lease hath all too short a date:
    Sometime too hot the eye of heaven shines,
    And often is his gold complexion dimm'd;
    And every fair from fair sometime declines,
    By chance or nature's changing course untrimm'd;
    But thy eternal summer shall not fade
    Nor lose possession of that fair thou owest;
    Nor shall Death brag thou wander'st in his shade,
    When in eternal lines to time thou growest:
    So long as men can breathe or eyes can see,
    So long lives this and this gives life to thee.

    W. Shakespeare          (Sonnet XVIII)




    Extract

    "Two of the fairest stars in all the heaven,
    Having some business, do entreat her eyes
    To twinkle in their spheres till they return.
    What if her eyes were there, they in her head?
    The brightness of her cheek would shame those stars,
    As daylight doth a lamp; her eyes in heaven
    Would through the airy region stream so bright
    That birds would sing and think it were not night."


    W. Shakespeare




    Twee

    Destijds in kinderspelletjes kon je,
    bv. als je veter was losgeraakt,
    gewoon 'twee' zeggen, en dan stond je
    even buitenspel, niemand mocht je dan nog aantikken.

    Voor jou had dat moeten blijven gelden.
    Dat je 'twee' zei, 'ik ben even
    mijn man kwijt', en dat die laatste tien jaar
    dan niet hoefde mee te tellen.

    Of dat je, in plaats van sterven,
    gewoon verstoppertje speelde
    en dat we je nog steeds
    niet hadden gevonden.

    Herman de Coninck




    Herfst

    Gebruind met
    spataders
    een droge huid
    kraaienpootjes.

    Zomaar ingeruild
    voor een groen blaadje.

    *Anna Querci  ;-)




    Schoonmaak

    heel voorzichtig
    met haar ragebol
    veegt de huisvrouw
    in de oksel
    van het plafond

    giechelend
    lacht het gebouw zich in puin

    Karel Soudijn




    Jonge sla

    Alles kan ik verdragen,
    het verdorren van bonen,
    stervende bloemen, het hoekje
    aardappelen kan ik met droge ogen
    zien rooien, daar ben ik
    werkelijk hard in.

    Maar jonge sla in september,
    net geplant, slap nog
    in vochtige bedjes, nee

    Rutger Kopland – Uit ‘Alles op de fiets’




    Sprookje

    Er was eens een man
    die altijd rechtvaardig was.

    Herman de Coninck